Spring naar content
Naar alle interventies

Schoolactieve verenigingen

Sport en onderwijs, een winnende combinatie

In het onderwijs zijn alle jongeren in de leeftijd van 6-18 jaar te bereiken met dé kracht van sport. Dat is ook nodig, want het blijkt nog steeds dat veel van deze jongeren onvoldoende sport en beweegt én dat zij ook steeds vaker in deze leeftijdsfase stoppen met sporten. Door sportverenigingen te stimuleren ‘schoolactief’ te worden, willen we de schoolgaande jeugd stimuleren na schooltijd meer te gaan en te blijven sporten.

Doelgroep vraagt om maatwerk in generieke aanpak

De aanpak van een doorlopende leerlijn van binnen- naar buitenschools leren sporten en bewegen, vraagt echter wel om maatwerk bij de doelgroepen: 6 t/m 12 en 13 t/m 18-jarigen. Zo moeten kinderen in het primair onderwijs nog hun sport ontdekken en een sportkeuze maken om ook op latere leeftijd actief te blijven sporten en bewegen. Jongeren in het voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs hebben vaak al geruime tijd actief gesport en dreigen juist in deze leeftijdsfase met sport te stoppen. Zij moeten behouden worden om te blijven sporten en bewegen.

Generieke aanpak: van binnen- naar buitenschools leren sporten en bewegen (doorlopende leerlijn)

Om jongeren kennis te laten maken met de sport en ze toe te leiden naar een sportaanbod bij de vereniging is een gefaseerde aanpak nodig. Deze doorlopende leerlijn bestaat uit een drietal fasen: (1) Kennismakingsactiviteiten onder schooltijd en in de schoolse setting (dus bij voorkeur in de gymzaal, sporthal of op de buitensportlocatie, die de school normaliter ook gebruikt), verzorgt door de (jeugd)trainers en de (vak)leerkracht, (2) Vervolgaanbod na schooltijd, in de schoolse setting door de (jeugd)trainer) aangeboden, waaraan de jongeren vrijwillig aan deel kunnen nemen en (3) Sportaanbod bij de vereniging, waarbij de jongeren met een passend sportaanbod van trainingen ook de vereniging kunnen ontdekken.

Lokale samenwerking

Om het sportaanbod volgens deze methodiek te verzorgen, is een structurele samenwerking tussen sportverenigingen en scholen nodig. Een netwerk, waarbij onder leiding van de lokale coördinator (bij voorkeur een buurtsportcoach) een lokaal (aanvals)plan opgesteld wordt.

Probleem 1: onvoldoende sporten en bewegen

Het probleem waar ‘schoolactieve vereniging’ op inspeelt, is dat steeds meer jongeren in de leeftijd van 6-18 jaar (de schoolgaande jeugd) onvoldoende sporten en bewegen én ook steeds vaker stoppen met sport. Ondanks dat onder de totale Nederlandse bevolking (5-80 jaar) het aantal mensen dat minimaal één keer per maand sport van 65% (in 2013) naar 67% (in 2014) gestegen is (en dit komt neer op circa 300.000 meer sporters) is onder jongeren (5-18 jaar) een lichte daling van 84% (2013) naar 83% (2014) waarneembaar. Circa 100.000 meer jongeren (5-18 jaar) voldoen aan de combinorm (61% Sportersmonitor, 2012) naar 65% (Sportdeelname Index GfK, 2014). Hier tegenover staat een sterke daling in de lidmaatschappen onder deze jongeren: van 77% (Sportersmonitor, 2012) naar 69% (Sportdeelname Index GfK, 2014).

Oorzaak bij kinderen van 6-12 jaar

De uitval bij de sportvereniging bij de jongste jeugd (6-12 jaar) is nog niet zo groot, maar toch richt de ‘schoolactieve vereniging’ zich om meerdere redenen ook op deze doelgroep. In Nederland sport ongeveer 88% van deze kinderen, norm: 12 keer per jaar. (Collard, D. & Pulles, I. , 2015) Onder jongens van 5 t/m 12 jaar is er een daling van het aantal regelmatige sporters (meer dan 4 keer per maand) van 3% tussen 2012 en 2014. (Sportdeelname Index GfK, 2014) Ouders geven in hetzelfde onderzoek in 41% van de gevallen aan over minder of te weinig geld te beschikken om hun kind te laten sporten en dit beeld wordt ook elders bevestigd. (Sportdeelname van kinderen in armoede. (W.J.H. Mulier Instituut , februari 2014) Oriëntatie op verschillende sporten en bij verschillende verenigingen, waarbij kinderen kunnen ontdekken wat ze leuk vinden en waar ze goed in zijn, essentieel is om deze doelgroep voor sporten en bewegen te krijgen. Zonder ervaring is de stap om lid te worden van een vereniging namelijk groter (Tangen, 2004). Van belang is dat leerlingen op een laagdrempelige manier via school kennis maken met (verschillende) sporten en zo ervaren welke sport bij hen past. Deze brede sportoriëntatie is , vaak vanwege geld- of organisatorische problemen, echter geen vanzelfsprekendheid en andere factoren (met name ouders en vriendjes) bepalen vaak de eerste sportdeelname.

Oorzaak onder jongeren van 13-18 jaar

Helaas neemt het actief sporten in de leeftijd van 13-18 jaar drastisch af en is in tegenstelling tot een toename van het aantal regelmatige sporters in de periode van 2012 tot 2014 bij jongens in deze leeftijd een afname van 12.000 te noteren. (Sportdeelname Index GfK, 2014) Deze jongeren komen in een andere levensfase waarin hun prioriteit voor sport verandert en het reguliere aanbod van trainen en wedstrijden niet meer past in het drukke tijd-/dagschema. Minder tijd door de combinatie met werk, studie of school wordt door 77% van de jongeren genoemd om minder te gaan sporten. (Sportdeelname Index GfK, 2014) Juist om deze uitval vóór te zijn, is het nodig dat jongeren in aanraking komen met sportaanbod dat wel past bij hun behoeften. Voor deze doelgroep is niet altijd een passend en attractief sportaanbod beschikbaar, waardoor ze zich niet (meer) zullen (blijven) binden. (Sportdeelname Index GfK, 2014)

Gevolgen

Weinig beweging tijdens de jeugd leidt vaak tot weinig beweging op volwassen leeftijd. (Mäkinen et al. 2010; Tammellin, 2005; Telema et al. 2006) Een actieve leefstijl is daarmee nog geen gewoonte en daarom is het belangrijk dat een actieve leefstijl al op jonge leeftijd een gewoonte wordt. Uiteraard heeft dit ook (indirect) effect op het verbeteren van hun gezondheid en het voorkomen van overgewicht.

Probleem 2: lokale netwerkvorming (samenwerking)

Een succesvolle manier om een brede sportoriëntatie en passend sportaanbod voor de jeugd neer te zetten is door dit in samenwerking met sportaanbieders en school te organiseren. (Leerlingen van basisscholen met een actief beweegbeleid bewegen meer dan andere leerlingen. (Arko Sports Media/ W.J.H. Mulier Instituut, 2011) Deze samenwerking is helaas niet overal van zelfsprekend. Enkele knelpunten hierin zijn: beschikbaarheid van trainers (direct aansluitend aan lestijden), het organiseren van het aanbod in de sportaccommodatie of in de buurt van de school, financiering van trainers en duurzaamheid. (Sport en onderwijs verbonden. Kwalitatief verdiepend onderzoek naar succesfactoren in de samenwerking tussen sportverenigingen en scholen (W.J.H. Mulier Instituut), maart 2012) Daarnaast blijkt dat het bewegingsonderwijs alleen nog onvoldoende aanzet tot een actieve leefstijl. (Stegeman, H.,2007)

De ´schoolactieve vereniging´ richt zich op schoolgaande jeugd in de leeftijd van 6-18 jaar. Dat betekent dat zowel de actief sportende jeugd als de jeugd die onvoldoende sport of beweegt, bereikt wordt.

Er zijn twee verschillende leeftijdsgroepen te onderscheiden:

(1) kinderen van 6-12 jaar en

(2) jongeren van 13-18 jaar

beiden met andere behoeften.

Zo moeten kinderen in het primair onderwijs (6-12 jaar) nog hun sport ontdekken en een sportkeuze maken. Het -samen met hun sociale omgeving (ouders, maar ook vriend(innet)jes- eigen proberen te maken van een eigen sport- en beweegcultuur om niet alleen direct, maar ook op latere leeftijd, actief te blijven sporten en bewegen. Een aanbod dat bestaat uit meerdere sporten -en dat (vaak) door meerdere sportaanbieders verzorgd wordt- is dan dus noodzakelijk.

Jongeren in het voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs (13-18 jaar) hebben vaak al geruime tijd actief gesport en dreigen juist in deze leeftijdsfase uit te vallen, met sport te stoppen. Zij moeten behouden worden om te blijven sporten en bewegen. Niet alleen een oriëntatie, maar het (blijven) binden van deze jongeren staat hierbij centraal: een aanbod dat (nog) beter afgestemd is op hun wensen en behoeften.

In het lokale speelveld is een samenwerking tussen sport en onderwijs nodig om de schoolgaande jeugd (6-18 jaar) aan het sporten en bewegen te krijgen en te houden. In het lokale netwerk zijn (tenminste) de volgende intermediaire doelgroepen actief om het hoofddoel en de subdoelen te bereiken:

  • trainer(s) van de ´schoolactieve vereniging´, die het sportaanbod zowel op school (fase 1), buitenschools (fase 2) als bij de vereniging (fase 3) verzorgt.
  • (vak)leerkracht, die alleen in fase 1 (binnenschoolse sportaanbod) eindverantwoordelijk is voor het waarborgen van de (pedagogische) kwaliteit van het sportaanbod en daarnaast actief ingezet wordt bij het stimuleren van de jongeren om deel te nemen aan het naschoolse sportaanbod (fase 2).

Essentiële randvoorwaarden

  • bestuur van de sportvereniging, die in haar beleid in de jeugd van 6-18 jaar wil investeren en daarvoor de samenwerking met de school/scholen opzoekt om de jongeren via de doorlopende leerlijn aan het sporten en bewegen te krijgen en vervolgens ook met een passend sportaanbod voor de vereniging te behouden.
  • schoolbestuur, die in haar beleid sport en bewegen hoog in het vaandel heeft staan (de jeugd in beweging wil krijgen en houden) en om die reden zelf ook investeert (in tijd en middelen) in de samenwerking met lokale sportaanbieders en het realiseren van het sportaanbod.
  • lokale coördinator (zoals buurtsportcoach, projectleider sportservicebureau maar deze belangrijke functie kan ook door de trainer of (vak)leerkracht uitgevoerd worden) om lokale netwerkvorming te bevorderen, een lokaal (aanvals)plan met elkaar op te stellen.
  • ouders/verzorgers (zeker bij kinderen in de leeftijd van 6-12 jaar), die in de fasen na de verplichte binnenschoolse deelname doorslaggevend zijn ten aanzien van het betalen van de (eigen) bijdrage (kosten) en/of het halen en/of brengen van hun kind naar de locatie van de vereniging (vrije tijd).

Let op:

  • Voor de uitvoering moet er op basis van het bepalen van de nut en noodzaak een keuze gemaakt worden voor de doelgroep en op basis van hun wensen en behoeften een keuze voor sportvereniging. Voor het bereiken van resultaten zijn per intermediaire doelgroep vereisten.
  • In alle gevallen waarbij de uitvoering de (jeugd)trainer genoemd wordt en in de aansturende en begeleidende rol gesproken wordt over de lokale coördinator, kan uiteraard ook de buurtsportcoach (BSC) deze taak/rol vervullen. Met een actief betrokken BSC is de kans op succes veel groter! Zij zijn namelijk vaak al actief in het lokale netwerk van sportverenigingen en scholen.

Hoofddoel

Meer schoolgaande jeugd (jongeren in de leeftijd 6-18 jaar) beweegt structureel meer na schooltijd door het passende sportaanbod van ‘schoolactieve verenigingen.

Subdoel

De schoolgaande jeugd

… heeft een beter beeld wat de aangeboden sporten in z’n algemeenheid en de sportvereniging in het bijzonder te bieden heeft (fase 1).

… heeft gekozen voor een sport die bij hem/haar past om structureel te gaan sporten (fase 2).

… blijft aan sport verbonden (bijv. tijdelijk en/of kortdurend lidmaatschap) en behoort tot een sportieve community (fase 3).

De (jeugd)trainer van de vereniging

… is door de vereniging aangesteld en in staat om op een enthousiaste wijze het passende sportaanbod (vanuit de sportbond)tijdens of direct na lestijden aan te bieden.

… is in staat om op en pedagogisch verantwoorde wijze te handelen (door deelname aan een scholing vanuit het programma ‘Naar een veiliger sportklimaat’).

De bevoegde (vak)leerkracht

… heeft (meer) zicht op de buitenschoolse sportdeelname van de schoolgaande jeugd.

… is in staat om een coachende en begeleidende rol aan te nemen richting de (jeugd)trainer van de ‘schoolactieve vereniging’ en de jongeren (blijven) stimuleren om ook na schooltijd aan het sportaanbod deel te nemen.

Randvoorwaardelijke subdoelen

Door de lokale netwerkvorming en/of de lokale coördinator (intermediair/projectleider) …

… is er een structurele samenwerking tussen (één of) meerdere scholen en sportvereniging(en).

… wordt er structureel tijd besteed aan deze samenwerking en uitvoering (en evaluatie) van het lokale (aanvals)plan.

Het schoolbestuur

… creëert structureel tijd (naschools) en ruimte (bij voorkeur in de schoolse setting) voor een extra sportaanbod.

Het bestuur van de ‘schoolactieve vereniging’

… creëert structureel tijd en ruimte voor werving van nieuwe jeugdleden via het onderwijs.

… heeft een groeiend aantal jeugdleden.

Opzet van de interventie

Van voorbereiding tot uitvoering en evaluatie neemt ongeveer7½ maand in beslag.

Voorbereiding

Deze fase is niet alleen belangrijk voor het realiseren van het sportaanbod in alle drie de fasen, maar ook voor een duurzame borging in de toekomst, en bestaat uit:

  • Lokale netwerkvorming (beweegteam): opzetten lokale samenwerking (duur: 2 maanden)
  • Uitwerking lokaal (aanvals)plan voor ‘schoolactieve vereniging’ (duur: 2 maanden)

Uitvoering (duur: ongeveer 3 maanden)

Het sportaanbod wordt in de volgende drie fasen aangeboden:

  • Fase 1: binnenschoolse sport- en beweegaanbod (duur: minimaal 3 x 1½ uur, gedurende 1 maand)

Kennismakingsactiviteiten onder schooltijd en dus verplicht voor alle jongeren.

  • Fase 2: buitenschoolse sport- en beweegaanbod (duur: minimaal 3 x 1½ uur, gedurende 1 maand)

Extra sportaanbod direct na lestijd (in de schoolse setting) en dus als keuze voor de jongeren.

  • Fase 3: passend sport- en beweegaanbod bij de vereniging (duur: minimaal 3 x 1½ uur als instap, gedurende 1 maand en daarna voor onbeperkte tijd)

Passend vervolgaanbod van trainingen bij de vereniging, met als doel een aangepast lidmaatschap.

Evaluatie (duur: ongeveer 2 weken)

De nabespreking is hét moment waarop het beweegteam met elkaar terugblikt op de samenwerking en de (behaalde) resultaten.

Lokale netwerkvorming + ontwikkelen van een lokaal (aanvals)plan

Uitvoering van het sportaanbod

(in fase 1, 2 en 3)

Evaluatie onder schoolgaande jeugd, sportvereniging en onderwijs

Schematisch ziet het gehele plan van aanpak er als volgt uit:

voorbereiding

realisatie van het sportaanbod

evaluatie

Lokale netwerkvorming (beweegteam)

Uitwerking lokaal (aanvals)plan

Fase 1: binnenschoolse sportaanbod

Fase 2: buitenschoolse sportaanbod

Fase 3: sportaanbod bij vereniging

onder schoolgaande jeugd, sportvereniging en onderwijs

tijdsinvestering

10 uur

20 uur

min. 4½ uur

min. 4½ uur

min. 4½ uur

10 uur

doorlooptijd

2 maanden

2 maanden

1 maand

1 maand

1 maand

2 weken

Om de continuïteit voor zowel de school als de leerlingen te (kunnen) waarborgen is het wenselijk om op een vast moment in de week (bijv. de dinsdagmiddag) gedurende een langere periode (bijv. tussen de herfst- en kerstvakantie) het sportaanbod in alle fasen te verzorgen. De periodes vlak voor en direct na de zomervakantie zijn daarbij voor het onderwijs het minst geschikt.

Locaties en Uitvoering

Uitvoering

Deze interventie kan worden uitgevoerd door individuele en samenwerkende sportverenigingen, maar ook door andere sportaanbieders (zoals fitnesscentra, judo- en vechtsportscholen). De projectleiding en –coördinatie kan door dezelfde organisatie uitgevoerd worden, maar ook door een medewerker van het lokale sportservicebureau (bijv. de buurtsportcoach in dienst van Sportbedrijf Deventer/Sportief Zeist).

Kortom voor een succesvolle samenwerking tussen sportvereniging(en) school/scholen, moeten verschillende personen (werkzaam bij diverse organisaties) betrokken zijn:

  • De bevoegde (vak)leerkracht van de school
  • De (jeugd)trainer van de sportvereniging
  • Een coördinator, werkzaam bij één van beide organisatie en bij voorkeur een buurtsportcoach van het gemeentelijke sportbedrijf.

Zij moeten echter in alle gevallen gesteund worden door hun achterban, te weten: de school(directie), het (jeugd)bestuur van de sportvereniging en de directeur van het sportbedrijf.

Locatie

De locatie waar de interventie in de drie fasen uitgevoerd wordt, moet bij geschikt zijn voor de desbetreffende sport (bijv. bij inline-skaten moet de ondergrond hard genoeg zijn) en dicht in de buurt van de school(gaande jeugd) zitten. In de eerste fase betekent dat vaak dat het sportaanbod in de gymzaal van of dichtbij de school verzorgd wordt, alvorens naar de accommodatie van de sportvereniging in de buurt (of een andere geschikte locatie) te gaan voor het buitenschoolse/naschoolse aanbod.

In het project ‘Sportaanbod voor het onderwijs’ (2009-2012) zijn in samenwerking met de eerder genoemde sportbonden gezamenlijk ruim 1.600 ‘schoolactieve verenigingen’ gerealiseerd. (Monitor en Evaluatie van het Beleidskader Sport, Bewegen en Onderwijs: Eindevaluatie (TNO), juli 2012) De succesverhalen, succes- en faalfactoren in de samenwerking tussen sportverenigingen en scholen, ondersteuningsconcepten van de sportbonden, publicaties, rapportages, en dergelijk hiervan zijn te vinden op www.nocnsf.nl/sportenonderwijs. Op deze wijze kunnen we vanuit onze jarenlange ervaring op maat adviseren, begeleiden en samen met de sportbonden zorgen voor een passende scholing (zeker op het terrein van een Veilig Sportklimaat) en verenigingsondersteuning. In het handboek zijn de belangrijkste zaken uit dit jarenlange traject opgenomen.

De volgende implementatie-partners zijn betrokken bij de kennisoverdracht en realisatie van de interventie.

  • interventie-eigenaar (NOC*NSF), treedt op als coördinator en als kartrekker voor het opbouwen en (inhoudelijke en procesmatig) ‘op maat’ ondersteunen van een lokaal netwerk met mogelijk ook de inzet van de (landelijke) sportbonden als experts om verenigingen in en rondom de directe uitvoering te ondersteunen.
  • verenigingsondersteuner van de sportbond(en) om de lokale sportaanbieder (sportvereniging) op advies van de interventie-eigenaar of op vraag van de sportvereniging te ondersteunen in zowel het proces van ‘schoolactief’ worden (tips & trucs), het verzorgen van het passende sportaanbod in de fasen 1 t/m 3, volgens de doorlopende leerlijn én de verankering ervan binnen de vereniging.

De lokale coördinator kan de expertise van de interventie-eigenaar en de verenigingsondersteuners van de sportbonden benutten bij de lokale netwerkvorming en het opstellen van een lokaal (aanvals)plan en rondom de uitvoering met de uitvoerders en intermediaire doelgroepen te communiceren.

De voorbereiding(sfase) blijkt essentieel te zijn voor het realiseren van een krachtige samenwerking en het behalen van successen bij de uitvoering van een passend beweeg- en sportaanbod. De, op andere locaties in het land, opgedane expertise kan hiervoor uitstekend benut worden en is in de volgende materialen beschikbaar:

  • Handleiding ‘Schoolactieve vereniging’, samen werken om jongeren in beweging te krijgen?;
  • 8-Stappenplan ´Beweeg- en sportaanbod voor jongeren via school’ (NOC*NSF, augustus 2016);
  • KISS-gegevens over de sportparticipatie per leeftijdsgroep en wijk (zie bijlage 1 handleiding en voor meer informatie kiss@nocnsf.nl);
  • voorbeeld vragenlijst behoeftepeiling jongeren (zie bijlage 2 handleiding, YoungWorks)
  • Inspirerende succesverhalen van “schoolactieve verenigingen”. (Sport & Onderwijs. Een winnende combinatie. (NOC*NSF), mei 2012)
  • Overzicht passend sportaanbod sportbonden voor het onderwijs via waar ook de ontwikkelde sport(kennismakings)mappen te bestellen zijn. (Sporten op en rondom school. Sportaanbod voor het onderwijs (NOC*NSF), april 2013)
  • Een overzicht van de succes- en faalfactoren in de samenwerking tussen sportverenigingen en scholen, afkomstig uit het kwalitatief verdiepende onderzoek. (Sport en onderwijs verbonden. Kwalitatief verdiepend onderzoek naar succesfactoren in de samenwerking tussen sportverenigingen en scholen (W.J.H. Mulier Instituut), maart 2012)
  • Tips & trucs om maatwerk te kunnen leveren bij het verzorgen van sportaanbod voor kinderen met een handicap, in het reguliere onderwijs. (Iedereen kan sporten. Passend sportaanbod voor het onderwijs (NOC*NSF), november 2013)

Voor het waarborgen van de kwaliteit van de uitvoering zijn de volgende materialen beschikbaar:

  • Sportkennismakingsmappen (met passend sportaanbod) van de desbetreffende sport(en) en soms uitgebreid met een:
  • stappenplan met tips en trucs voor verenigingen om de samenwerking met het onderwijs te realiseren;
  • aan te schaffen materiaalpakket om direct aan de slag te kunnen met de desbetreffende sportactiviteiten en/of met de mogelijkheid om ‘in bruikleen’ gebruik te maken van sportspecifieke materialen.
  • Scholingsaanbod vanuit de sportbond voor de (jeugd)trainer (bondskaderopleiding Trainer/Coach niveau 3 of een ‘op maat’ gemaakte opleiding voor deskundigheidsbevordering) en/of inzet verenigingsondersteuning bij het ‘coachen on the job’ van het verenigingskader.
  • Scholingsaanbod voor een veilig pedagogisch sportklimaat om de (jeugd)trainers te begeleiden in hun pedagogisch handelen als onderdeel van Veilig Sportklimaat (https://sport.nl/voorclubs/sportiviteit-en-respect/veilig-sportklimaat)

Voor de evaluatie van het passende sportaanbod is het volgende beschikbaar:

  • Er zijn semigestructureerde interviewvragen

Belangrijke documenten

Organisatie

Contactpersonen


Beoordeling / erkenning

  • Goed beschreven
Dit is een erkende interventie