Spring naar content

Werkzame elementen voor sport- en beweeginterventies

Voor sport- en beweeginterventies zijn de werkzame elementen onder te verdelen in vijf categorieën, dit noemen we de vijf pijlers. Een voorbeeld van een werkzaam element in een sport- en beweeginterventie die zich richt op jeugd is het betrekken van ouders. Dit voorbeeld ‘het betrekken van ouders’ valt bijvoorbeeld onder de pijler ‘Sociale omgeving’. Dit voorbeeld laat zien dat de werkzame elementen per thema of problematiek verschillend kunnen zijn. Zo geldt het werkzame element ‘het betrekken van ouders’ niet voor de doelgroep ouderen. Deze vijf pijlers staan niet op zichzelf; ze hangen met elkaar samen en beïnvloeden elkaar.

Sport- en beweeginterventies die werkzame elementen uit alle vijf pijlers toepassen, zijn hoogstwaarschijnlijk succesvol in het behalen van hun doelen.

Hoe kun jij de pijlers gebruiken?

Je kunt de pijlers gebruiken voor het (door)ontwikkelen van zowel bestaande als nieuwe sport- en beweeginterventies:

  • Bij bestaande interventies kun je kijken of je al op alle pijlers inzet. Hierdoor krijg je een beeld waar ontwikkeling mogelijk is en verbeter je zo de kwaliteit van je interventie.
  • Bij nieuwe interventies kun je de pijlers gebruiken als bouwstenen voor de ontwikkeling van nieuwe interventies voor specifieke doelgroepen.
in vijf cirkels staan de 5 pijlers benoemd - ook in de tekst uitgelegd

Er zijn enkele onderwerpen waarvoor de werkzame elementen al verder zijn gedefinieerd: vechtende jongeren, jeugd met overgewicht, jeugd armoede sport en mobiliteit ouderen.

Werkzame elementen

Het beschrijven van werkzame elementen is een manier om antwoord te geven op de vraag hoe sport- en beweeginterventies kunnen worden (door)ontwikkeld voor meer kwaliteit en effectiviteit. Het geeft inzicht in de kwaliteit van interventies en in ‘wat werkt’ voor specifieke doelgroepen en/of problematieken. In de notitie (pdf) lees je over de identificatie van werkzame elementen in sport- en beweeginterventies.

De 5 pijlers

Begeleiding

De invloed van de begeleiding (trainer, pedagoog, buurtsportcoach, fysiotherapeut, etc) op het proces en het effect van de interventie op de doelgroep is aanzienlijk. De begeleiding binnen een interventie kan breed opgevat worden; een ieder die binnen de interventie een formele rol heeft in het begeleiden van de doelgroep naar een bepaald doel. De begeleiders in de sport zijn niet altijd professionals, wat deze pijler complex maakt. De competenties (kennis, vaardigheden en attitudes) die een begeleider moet hebben zijn afhankelijk van het doel, de doelgroep en de problematiek. Dat kan betekenen dat voor de ene interventie pedagogische vaardigheden en attitude belangrijk zijn en een andere interventie sportspecifieke kennis vraagt. Aandacht voor (de ontwikkeling van) de juiste competenties is daarom essentieel. Naast de competenties van de begeleider gaat het ook om de manier waarop de interactie tussen de deelnemer en begeleider tot stand komt en zich ontwikkelt.

Fysieke omgeving

De pijler ‘fysieke omgeving’ doelt op de mate waarin de fysieke omgeving (de doelen van) een interventie ondersteunt/stimuleert. Hierbij is het van belang om zowel de fysiek stimulerende factoren als de fysieke weerstanden van een doelgroep te kennen. Voorbeelden van fysieke weerstanden zijn de locatie van sport- en beweegaanbod, het vervoer naar de locatie en het ontbreken van een beweegvriendelijke omgeving. Op basis van deze kennis kunnen fysieke barrières worden verholpen waardoor deelnemers niet beperkt worden om te gaan bewegen. Ook moeten deelnemers van sport- en beweeginterventies de fysieke omgeving van een interventie als passend of vertrouwd beschouwen om zich te binden aan de interventie.

Sociale omgeving

De pijler ‘sociale omgeving’ doelt op de mate waarin de sociale omgeving stimuleert tot deelnemen aan een interventie en gedragsverandering om structureel (meer) te gaan bewegen. Een stimulerende omgeving kenmerkt zich door een motiverende relatie tussen de doelgroep en naasten zoals begeleiders, leeftijdsgenoten, lotgenoten, partners, ouders etc. Sport- en beweeginterventies die inspelen op de sociale omgeving van de doelgroep zijn langdurig effectiever dan interventies die dit niet doen. Deze bevinding wordt gedeeld door de geïdentificeerde werkzame elementen bij verschillende doelgroepen (jeugd woonachtig in lage SES wijken, jeugd met overgewicht en ouderen 50+). Het betrekken van en inspelen op de sociale omgeving van de doelgroep helpt persoonlijke omstandigheden en weerstanden van deelnemers te kennen.

Maatwerk

De pijler ‘maatwerk’ doelt op de aanpassingen/doorontwikkelingen die zijn gedaan om een interventie toepasbaar te maken voor een lokale context, waaronder een specifieke doelgroep. Dit gaat verder dan aansluiten op een bepaald aanbod voor de doelgroep. De structuur van een interventie moet dusdanig ingericht zijn dat er ingespeeld wordt op de behoeften en netwerken van de doelgroep en lokale voorzieningen. Hierbij is het essentieel om, naast het leren kennen van de omgeving, ook de doelgroep te leren kennen. Door in gesprek te gaan kan onderzocht worden wat de behoeftes van de doelgroep zijn. Aan de hand daarvan is het mogelijk om sport- en beweeginterventies zo te structureren dat ze aansluiten bij de leefwereld van de doelgroep en hen te motiveren (en gemotiveerd blijven) om eraan deel te nemen.

Empowerment

Empowerment of ‘zelfredzaamheid’ van de doelgroep betekent dat de doelgroep zelf in staat is, zonder blijvende externe ondersteuning, actief vorm te geven aan eigen omgeving en gedrag. Hierbij zijn individuen in staat om (kritisch) zelf te reflecteren op eigen gedrag en ontwikkeling. Interventies dienen plaats, gelegenheid, leerprocessen en voorwaarden te scheppen om bewustzijn, intrinsieke motivatie en zelfvertrouwen bij deelnemers te ontwikkelen. Het idee hierbij is dat dit groeiende vertrouwen in het eigen kunnen leidt tot actief gedrag binnen en buiten de interventie. Stimuleren van zelfredzaamheid draagt bij aan structurele gedragsverandering van het individu.