Spring naar content
Naar alle interventies

Denken en Doen

Voor gemeenten is concrete invulling van ‘ouderenbeleid’ – waarbij ook aandacht aan het bestrijden van eenzaamheid wordt gegeven – vaak aanleiding om de interventie Denken en Doen te laten uitvoeren. In wijk of dorp worden ouderen genodigd om deel te nemen aan een langdurige cursus bridgeleren. In groepen komt men (gedurende ca. twee jaar) wekelijks bijeen om, onder leiding van een ervaren bridgedocent, te leren bridgen. Hierbij helpen de inhoudelijke regels van het spel en de organisatie eromheen op zeer natuurlijke wijze om binnen de groep het sociaal verband aan te brengen en te verstevigen. Ook de bridgedocent heeft een actieve rol bij het creëren van een positieve sociale omgeving en het stimuleren van de sociale interactie tussen deelnemers. Na drie lessenseries worden grotere groepen gevormd waaruit weer nieuwe contacten ontstaan. Na afloop van de interventie wordt aan de deelnemers continuïteit van de bridge-activiteit geboden en blijkt dat het sociaal netwerk van de deelnemers is gegroeid.

Eenzaamheid wordt in de literatuur vaak omschreven als ‘het subjectief ervaren van een onplezierige of ontoelaatbaar gemis aan (kwaliteit van) bepaalde relaties.’ In de definitie staat centraal dat het bij eenzaamheid om een subjectief oordeel over de sociale relaties gaat en dat negatieve gevoelens of ervaringen daarbij centraal staan. Wat betreft de relaties gaat het zowel om de kwantiteit als de kwaliteit ervan. Als het aantal contacten niet aan iemands verwachtingen voldoet, spreekt men van ‘sociale eenzaamheid’. Als de relaties onvoldoende emotionele steun geven, heet dit ‘emotionele eenzaamheid’. In de meest recente onderzoeken over eenzaamheid (naar oorzaken, gevolgen, interventies) wordt echter geen onderscheid gemaakt tussen deze verschillende soorten vormen van eenzaamheid. Eenzaamheid is dus niet gelijk aan ‘alleen zijn’. Mensen kunnen zich in een groot gezelschap eenzaam voelen, terwijl iemand die vaak alleen is niet per se eenzaam is (Cohen-Mansfield & Perach, 2015; Courtin & Knapp, 2017; Ong et al., 2016; Van Beuningen & De Wit, 2016).

In Nederland voelt 44% van de 65-74-jarigen, 53% van de 75-84-jarigen en 63% van de 85-plussers zich (matig tot zeer ernstig) eenzaam. Het percentage dat zich (zeer) ernstig eenzaam voelt is 8%, 10% en 15% voor respectievelijk 65-74-jarigen, 75-84-jarigen en 85-plussers (Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen GGD-en, CBS & RIVM, 2016). Er wordt verwacht dat het aantal 65-plussers in Nederland sterk zal toenemen van 3,2 miljoen in 2018 naar 4,2 miljoen personen in 2030: dit is een kwart van de bevolking (CBS, 2018: prognose bevolking). Daarnaast zal het aantal alleenstaande ouderen sterk toenemen van 1,0 miljoen in 2018 tot 1,4 miljoen in 2030. Het zijn de mannen en vrouwen die alleen overblijven na het overlijden van hun partner. Langer zelfstandig wonen is een andere reden voor de toename van het aantal alleenstaande ouderen (CBS, 2018: prognose personen in huishoudens). Beide (demografische) ontwikkelingen zullen een groter aantal eenzame ouderen tot gevolg hebben.

De doelgroep is ouderen (in de leeftijd van 60+) die wonen in buurt, wijk of bijvoorbeeld zorginstelling. Dit is een leeftijdsgroep die een verhoogd risico heeft op eenzaamheidsgevoelens door veranderingen in en/of het wegvallen van een sociaal netwerk. Het vergroten en/of behouden van een sociaal netwerk is dus voor deze leeftijdsgroep van belang (zie ook Hoofdstuk 3 Onderbouwing). Gemiddelde leeftijden van deelnemers bij Denken en Doen rond de 70 jaar zijn normaal. N.B. De interventie onderscheidt zich daardoor ten opzichte van andere interventies voor ouderen, doordat ze zich niet primair op de jongste ouderen richten (Zantinge et al., 2011).

N.v.t.

Hoofddoel

Ouderen (60+) krijgen door deelname aan Denken en Doen meer sociale contacten en vergroten daardoor hun sociale netwerk, waardoor eenzaamheid vermindert of wordt voorkomen. Hierbij wordt bridge ingezet als middel om mensen met elkaar in contact te brengen en (langdurig) met elkaar te verbinden.

Subdoel

Bij Denken en Doen staan de volgende subdoelen centraal: Tijdens de tweejarige interventieperiode:

  1. Eenzame en niet-eenzame ouderen nemen op een laagdrempelige en plezierige manier deel aan de bridgelessen. 1
  2. Deelnemers ontmoeten door het bridge wekelijks andere wijk- en/of dorpsgenoten.

Na afloop van de tweejarige interventieperiode:

3.Na afloop van de interventie is bij 80% van de deelnemers2 het aantal contacten met wijk- en/of dorpsgenoten toegenomen.

4. Na afloop van de interventie is 80% van de deelnemers2* tevreden over de kwantiteit van hun sociale contacten.

5. Na afloop van de interventie maakt 70% van de deelnemers2 onderdeel uit van een community rondom de bridgesport, bij voorkeur in de vorm van een lidmaatschap van een bridgeclub en/of periodieke thuis bridgeactiviteiten. 3

6. Na afloop van de interventie voelt tenminste 35% van de deelnemers4* zich minder eenzaam5 **.

* Percentage in subdoel is gebaseerd op eerder onderzoek naar Denken en Doen met een voor- en nameting bij deelnemers (Leemrijse & Veenhof, 2012). Bij aanvang van Denken en Doen voelde 37% van de deelnemers zich matig tot zeer sterk eenzaam. Na 1 jaar deelname aan Denken en Doen was dit afgenomen naar 21% van de deelnemers (= afname van 43% onder eenzame deelnemers). Bij aanvang was 72% (heel erg) tevreden met het aantal contacten en ontmoetingen dat hij/zij had. Na 1 jaar was dit 88% (zie ook hoofdstuk 4).

** Eenzaamheid wordt gemeten met de eenzaamheidsschaal van De Jong Gierveld & Kamphuis (1985).

  1. In de interventie wordt een gemêleerde groep van eenzame en niet-eenzame ouderen beoogd (zie ook hoofdstuk 3 ‘Onderbouwing’).
  2. Gemeten wordt over de deelnemers die de interventie voltooid hebben. Uit de meest recente procesevaluatie (Dellas & Ooms, 2018) bleek dat de uitval 10-16% was over een periode van 2 jaar.
  3. De interventie is geen ‘lidmaatschapsproject’. Indien deelnemers niet voor een bridgeclub kiezen (vanwege een niet passende afstand, tijdstip, locatie, sfeer of bijzondere persoonlijke omstandigheden) maar vanuit een woonhuis/appartement blijven bridgen – kan ontvangen zijn maar ook bezoeken – voldoet dit ook.
  4. Gemeten wordt over de deelnemers die bij aanvang van de interventie eenzaam zijn (zie voetnoot 5) en de interventie voltooid hebben.
  5. De in de literatuur omschreven twee vormen van (sociale en emotionele eenzaamheid) – en de drie gradaties van eenzaamheid (matig, sterk en zeer sterk eenzaam) vallen hieronder.

Opzet van de interventie

Denken en Doen begint met de benadering en selectie van de potentiële deelnemers en kan als volgt worden samengevat:

-1. Voorbereiden aanvraag (p.m.)

0. Start (=interventie) toekenning. (p.m.)

1. Voorbereiding interventie (ca. 4 maanden)

2. Startersbridge (ca. 3-4 maanden)

3. Bieden, deel 1 (ca. 3-4 maanden)

4. Bieden, deel 2 (ca. 3-4 maanden)

5. Clubbegeleiding en verder (ca. 8 maanden)

In totaal duurt de interventie circa twee jaar. Na twee jaar functioneren de groepsdeelnemers zonder extern gefinancierde begeleiding.

Locaties en Uitvoering

De speelgelegenheid: Bijeenkomsten gaan wekelijks plaatsvinden in een ‘speelgelegenheid’. In totaal zijn er over twee jaar ruim 88 bijeenkomsten. De zaal moet voor de doelgroep (ook mensen met een beperking) toegankelijk en bereikbaar zijn. Meestal is dit een buurtcentrum, maar het kan ook een zaal zijn in een zorgcentrum of aanpalend aan een kerk. Bridgeclubs hebben meestal geen zalen in eigendom. De zaal moet voor deze gelegenheid besloten zijn (een openbare horeca gelegenheid voldoet niet). Hierin moeten tenminste 7 losse tafels staan met rondom elk 4 stoelen, rolstoeltoegankelijkheid (en –manoeuvreerruimte) is gewenst. De aanwezigheid van een beamer/projectiescherm is een pré. De interventie is ontworpen voor max. 60 personen die in eerste instantie worden verdeeld over twee lesgroepen van max. 28-32 personen. Een belangrijk moment vindt plaats na stap 4 omdat in stap 5 lesgroepen worden samengevoegd. Er zijn vanaf dit moment dus aanzienlijk meer tafels en stoelen nodig. Het benodigde oefenmateriaal wordt door de bridgedocent meegenomen, indien het niet ter plaatse kan worden opgeslagen, wat de voorkeur heeft.

Type organisatie:

a) Gemeenten en organisaties voor ouderenzorg (die, mede, het gemeentelijkbeleid voor ouderenzorg uitvoeren).

b) Bridgeverenigingen

c) BridgeBond

Het is afhankelijk van de financiering van de interventie hoe deze organisatorisch is verankerd. Heeft de gemeente bijvoorbeeld opdracht gegeven aan de BridgeBond dan neemt deze de verantwoordelijkheid voor de uitvoering. Gemeenten kunnen zich laten vertegenwoordigen door een zorginstelling waarmee wordt samengewerkt.

Ad a. Gemeenten en organisaties voor ouderenzorg Denken en Doen sluit aan bij het gemeentelijk ouderenbeleid. De gemeente speelt een rol in de financiering en werving van deelnemers. Veel gemeenten besteden de uitvoering van hun ouderenbeleid uit aan een organisatie voor ouderenzorg/welzijn. Deze organisatie wordt dan binnen de interventie aanspreekpunt. De selectie en aanschrijving van deelnemers gebeurt onder verantwoording van de gemeente (zie ook paragraaf 1.1 selectie van doelgroepen).

Ad b. Bridgeverenigingen Er wordt met de lokale bridgeclubs samengewerkt omdat zij zorgen voor vrijwilligers (tafelbegeleiders) en bijdragen aan continuïteit van het opgezette netwerk na 2 jaar (deelnemers kunnen dan (soms als satellietclub) aansluiten bij de lokale bridgeclub.

Ad c. BridgeBond De BridgeBond is enerzijds aanjager van Denken en Doen projecten, waarbij zij deze interventie onder de aandacht van gemeenten en andere betrokken organisaties in het veld van ouderen brengt, en anderzijds uitvoerder die een belangrijke rol heeft in de eerste stap (voorbereiding interventie) van de interventie. Het landelijk overzicht en bereik van bridgeclubs en voor Denken en Doen relevante bridgedocenten door de BridgeBond is hier belangrijk. Ook levert de BridgeBond tal van de voor de interventie benodigde materialen.

Voor implementatie van de interventie Denken en Doen worden de stappen doorlopen, zoals beschreven onder aanpak, en bij elke stap wordt waar nodig ondersteuning geboden door de BridgeBond in de vorm van begeleiding, de docenteninstructiebijeenkomst en de benodigde materialen. Op het bondsbureau is iemand aangewezen die bij interesse voor deze interventie naar gemeenten gaat, helpt bij het zoeken van een bridgedocent en een geschikte locatie en toeziet op ondersteuning bij het voortzetten van het netwerk na afloop van de interventie.

Er is geen systematisch implementatie plan voor de totstandkoming van een project (stap -1).
Totstandkoming wordt door de BridgeBond landelijk bevorderd door spreiding van kennis:
? de aanwezigheid van een goede interventieomschrijving en aansprekende onderzoek- en praktijkresultaten bij uitvoering.

Daarnaast brengt de BridgeBond Denken en Doen continu onder de aandacht bij:
? het netwerk van NOC*NSF.
? het netwerk van VSG (Vereniging Sport en Gemeenten).
? de relevante afdelingen van VWS.
? binnen het actieprogramma ‘Eén tegen Eenzaamheid’ van het ministerie van VWS. De BridgeBond is tevens partner van het actieprogramma ‘Eén tegen Eenzaamheid’.
? belangenorganisaties voor ouderen (KBO-Brabant, Nationaal Ouderenfonds). De BridgeBond werkt ook nauw met deze organisaties samen.

Daarnaast wordt het eigen netwerk van de BridgeBond van 1.000 lokale bridgeverenigingen ingezet om deze interventie onder de aandacht bij gemeenten te brengen. Ook centraal worden de wethouders ‘sociaal
domein’ door de BridgeBond over de interventie geïnformeerd.

De interventie Denken en Doen maakt gebruik van eenvoudige voorlichtingsmaterialen die bij de BridgeBond beschikbaar zijn:

Voor gemeenten en aanvragers

  • een handleiding voor de uitvoerder/bridgeclub waarin de interventie wordt uitgelegd;
  • een folder ‘op naar 200 projecten’ gericht op gemeenten;
  • interventieomschrijving Denken en Doen;
  • voorbeelden van uitnodigingen, brieven, persberichten en promotiemateriaal gebruikt in andere gemeenten;
  • bewijs dat de interventie is opgenomen in de landelijke databank ‘erkende interventies’.
  • een aanbeveling van Prof. Hopman Rock (TNO gezondheid);
  • verwijzing naar de literatuurlijst.
  • vele lovende krantenberichten en andere publicaties over Denken en Doen en lokale uitvoeringsprojecten hiervan.

Voor deelnemers
Het folder-, cursus- en lesmateriaal is door de BridgeBond ontwikkeld en volledig inbegrepen in de
interventiekosten:

  • een (per locatie ingedrukte) folder voor deelnemers;
  • kosteloos toegang op internet tot ‘Startersbridge’;
  • een boekenserie met de bridge leermethode:
  • Koos Vrieze/Jacques Barendregt: ‘Start met bridge 1 en bijbehorend oefenboek’;
  • toegang tot ‘de Toekomstclub’ op internet, waar zes weken gratis kan worden geoefend
  • 12 maanden lidmaatschap met het educatief ingerichte maandblad ‘Bridge’ maandelijks aan huis bezorgd;
  • het vervolgboek ‘Start met bridge 2 met bijbehorend oefenboek’ voor verdere verdieping;
  • tafelbladen;
  • speelkaarten;
  • biddingboxen;
  • boards.

Voor docenten

  • docenteninstructie Denken en Doen
  • competentielijst: effectief gedrag bridgedocent Denken en Doen
  • docentenhandleiding voor ‘Startersbridge met Berry’
  • docentenhandleiding voor ‘Start bieden met Berry
  • docentenhandleiding voor ‘Start met bridge 1 en 2’’
  • PowerPoint ondersteuning voor ‘Startersbridge met Berry’
  • PowerPoint ondersteuning voor ‘Start bieden met Berry’
  • PowerPoint ondersteuning voor ‘Start met bridge 1 en 2’

Denken en Doen is gericht op het verminderen en voorkomen van eenzaamheid door het bewerkstelligen van een (nieuw) sociaal netwerk onder de doelgroep, met bridge als middel. De onderbouwing hiervoor is overtuigend neergezet. Dit oordeel is echter niet door te trekken naar bewegen. Sport en bewegen kunnen wel gekoppeld worden aan de interventie, maar het moet geen doel op zich zijn. 
Door de laagdrempeligheid is de interventie aantrekkelijk en een goed voorbeeld van samenwerking tussen de 0e en 1e lijn.
De handleiding is helder, maar summier en de uitvoering vereist daardoor een ervaren trainer. 

Denken en Doen wordt vaak uitgevoerd, er zijn goede materialen en positief zijn de ondersteuningsmogelijkheden en betrokkenheid vanuit de Bridgebond. Een aandachtspunt is de doorgeleiding/continuïteit na 2 jaar. Hoe worden verenigingen bij deze projecten betrokken en wat doet de NBB om de continuïteit van Denken en Doengroepen te ondersteunen?

Belangrijke documenten

Contactpersonen

Beoordeling / erkenning

  • Goed onderbouwd
Dit is een erkende interventie